“Mijn zoon, mijn dochter,
Ik heb met mijn Komst op aarde de heilige geschriften
niet heb afgeschaft. Integendeel, Ik ondersteunde ze.
En mijn Evangelie kondigde niets aan dat tegen hen inging.
Integendeel, zij steunden elkaar op een wonderbare wijze.
Wat Ik bekend maak over mijn Goddelijke Wil en wat jij schrijft,
kan “het Evangelie van het Koninkrijk van de Goddelijke Wil”
genoemd worden.
Niets gaat in tegen de heilige geschriften, noch tegen het Evangelie
dat Ik op aarde verkondigde. Het ene ondersteunt het andere. (…)
Dit zal het Evangelie zijn, de basis, de onuitputtelijke Bron
waaruit iedereen zal putten : – het leven van de Hemel ,
het geluk op aarde en het herstel van hun schepping. (…)
O, hoe gelukkig zullen diegenen zijn die grote teugen zullen drinken
aan deze Bron van mijn Waarheden.
Zij brengen het Leven van de Hemel en houden alle droefheid weg.”
“Het Evangelie van het Koninkrijk van de Goddelijke Wil” – BvdH 23
